Proloog 'Als de waarheid mij vindt.'

Een klap op mijn hoofd maakt me wakker. Mijn zicht is wazig, al zie ik nog net wat bomen om me heen. Mos en modder laten me vermoeden dat ik in een bos ben. Het bos is stil. Enkel wat zacht geritsel van een paar konijntjes in de buurt. Ondanks het duistere karakter van het bos, is er een fel licht zichtbaar in de verte. Het lijkt alsof het licht schreeuwt om terug te komen, maar het is al te laat. Ik zit vast. Vast tussen de schaduwen van dit bos. Misschien wel in de schaduw van mijn eigen gedachten. Mijn adem is zwaar. Mijn schoenen zijn smerig en koud geworden van de natte modder die is ontstaan door de regenachtige week. Gelukkig is het deze nacht droog gebleven. Ik wist dat het droog zou blijven.

Deze situatie is mijn bedoeling helemaal niet. Ergens heb ik er verlangend over gedroomd. De laatste tijd werd het bijna een obsessieve fantasie. Al vraag ik me af of dat mij niet is aangepraat. Of deze droom eigenlijk wel de mijne is. Nu het zover is, twijfel ik of ik de juiste beslissing heb gemaakt. Had ik het wel zo ver moeten laten komen? Eerlijk gezegd weet ik niet of ik wel een andere keus had. Was het überhaupt wel een keuze? Het enige dat ik weet, is dat het weer zou gaan gebeuren. Op welke plaats het zou eindigen.

Ik loop verder het bos in. Elke beweging klinkt als een messteek in mijn hoofd. Zachtjes voel ik wat zoute tranen over mijn lippen heen sijpelen. Naast me klinkt een harde schreeuw. Even vergat ik dat ik niet alleen ben. Ergens weet ik dat het beter is om te rennen, maar dat is geen optie. Ik probeer de schreeuw te negeren en flink door te stappen. Op naar mijn einddoel. Naar die ene, donkere plek. De plek van al mijn dromen, de plek van mijn nachtmerries, de plek van het einde.

Over een tijdje zal het allemaal ophouden. De nachtmerrie. De foute verlangens. De etterende woorden in mijn hoofd die me bijna manisch laten worden. Over een paar minuten word ik wakker. Geloof ik. Hoop ik. Toch? Tot nu toe verloopt alles, zoals elke nachtelijke droom verloopt. Bijna alles. De schreeuw was dit keer wel nieuw. Ik weet alleen niet zeker of ik me dat wel juist herinner. Ach ja. Als ik me daar ook al druk over ga maken kan ik wel bezig blijven. Ik heb het idee dat ik alles nu best helder zie.

Na een tijdje kom ik aan op de plek waar alles zou eindigen. Het graven begint. Ik merk dat na een tijdje mijn ogen vollopen met tranen. Het vertroebelt mijn beeld, terwijl ik weet dat ik nog niet klaar ben. Ik moet snel doorgaan. Ik heb geen keus. Het graven verloopt zwaarder dan ik me herinner. Mijn armen worden moe. Uit het niets hoor ik een geïrriteerde, fluisterende stem in mijn oor. Het klinkt zó zacht, dat ik twijfel of deze wel echt is.

   ”Als je nu ophoudt, lig je er dadelijk naast, schiet op”

Ik schrik op van de stem en verstijf. Deze stem klinkt bekend. Toch ben ik niet bang. Tenminste, niet van wat er gezegd wordt. Ik ben vooral bang dat de stem mijn leven inneemt. Het maakt alles om me heen kapot. Even bedenk ik me dat ik me helderder voel dan ik had verwacht. Vanavond voelt echter dan normaal. Bijna begrijp ik wat er aan de hand is, totdat de grond onder me vandaan begint te zakken. Langzaam begint alles om me heen te draaien. Ik voel me steeds angstiger worden. Meerdere dromen vermengen zich met elkaar. Mijn adem stokt. Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik wil mijn ogen openhouden, maar het is al te laat. Voor ik het weet voel ik weer de katoenen lakens tegen mijn huid aan plakken. Verward word ik wakker. Zwetend zoals elke ochtend, moe zoals na elke nachtmerrie. Mijn handen ruiken nog naar nat bos. Als ik mijn ogen open zie ik nog vaag een donkere schim voor me staan. Het voelt nog niet alsof alles voorbij is. Toch lijkt deze droom het einde te zijn geweest.